Goed nieuws voor ondernemende verenigingen en stichtingen

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

Bent u bestuurder van een stichting of vereniging die maximaal vijf jaar een onderneming drijft? Dan is het volgende voor u van belang. De stichting of vereniging is onder voorwaarden vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De vrijstelling geldt als in een boekjaar niet meer dan € 15.000 winst wordt behaald. Is de winst hoger, dan kan deze toch vrijgesteld zijn, zolang de winst samen met de winst van de voorgaande – maximaal vier – jaren niet meer bedraagt dan € 75.000. Kortgeleden heeft de hoogste belastingrechter, de Hoge Raad, beslist dat deze tweede winstgrens ook onverkort mag worden toegepast als de vereniging of stichting minder dan vijf jaar een onderneming drijft.

Hoe berekent u de vrijstelling?

U toetst eerst of de winst van uw vereniging of stichting de eerste winstgrens van € 15.000 overschrijdt. Is dat niet het geval, dan is de winst vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Is dat wel het geval, dan toetst u vervolgens of de tot dan toe behaalde jaarwinsten de tweede winstgrens van € 75.000 overschrijden. Is dat niet het geval, dan is de winst toch vrijgesteld. Wordt de tweede winstgrens wel overschreden, dan is de winst in dat boekjaar belast. In de daaropvolgende boekjaren is de jaarwinst alleen vrijgesteld voor zover deze niet meer bedraagt dan € 15.000. Is de winst hoger, dan is uw stichting of vereniging over de winst vennootschapsbelasting verschuldigd.

U hoeft door het oordeel van de Hoge Raad de tweede winstgrens dus niet pro rata te berekenen. Daardoor zou deze winstgrens lager zijn en uw vereniging of stichting dus eerder in de heffing vallen.

Voorbeeld ter verduidelijking

Uw vereniging bestaat drie jaar en drijft vanaf het begin een onderneming. De winsten zijn € 8.000 in jaar 1, € 20.000 in jaar 2 en € 32.000 in jaar 3. De totaalwinst over de drie jaren is dus € 60.000. De winst in het eerste jaar is zonder meer vrijgesteld, want die blijft onder de eerste winstgrens van € 15.000. In het tweede en derde jaar is dat niet het geval. U moet dan de totaalwinst toetsen aan de tweede winstgrens. Bij onverkorte toepassing blijft de winst in het tweede en derde jaar onder het maximum van € 75.000. U kunt de vrijstelling dus ook in jaar twee en drie toepassen.

Zou u de tweede winstgrens pro rata moeten berekenen, dan bedraagt deze na jaar 2 jaar (2/5 van € 75.000 =) € 30.000. De winst van uw vereniging blijft ook in jaar 2 onbelast. Maar in het derde jaar wordt het een ander verhaal. De tweede winstgrens bedraagt dan 3/5 van € 75.000 = € 45.000. De totaalwinst over de drie jaren bedraagt echter € 60.000. De winst van uw vereniging is daardoor in het derde jaar wel (volledig) belast.

Let op

Het bovenstaande geldt ook als uw vereniging of stichting niet direct vanaf haar oprichting een onderneming drijft. De vijfjaarstermijn van de tweede winstgrens van deze vrijstelling begint dan namelijk pas te lopen vanaf het eerste jaar dat zij een onderneming drijft en dus niet vanaf haar oprichting.