Het zwarte schaap en het wettelijk erfdeel

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

Soms is er een zwart schaap in de familie. Of is er een andere valide reden om een kind te onterven, dan wel te bepalen dat het kind niet meer krijgt dan het bedrag van het wettelijke erfdeel. Dit is het erfdeel waarop het kind ten minste recht heeft. Maar stel dat het zwarte schaap zijn of haar wettelijke erfdeel komt opeisen bij het overlijden van de langstlevende ouder, die bij leven al het nodige heeft geschonken aan het ‘witte’ schaap in de familie. Hoe wordt dan dit erfdeel bepaald? Aan de hand van het volgende voorbeeld leggen we dat uit. Een moeder had, als langstlevende, na het overlijden van haar man haar zoon als enig erfgenaam benoemd. Ook had zij haar vermogen in delen zoveel mogelijk aan hem overgedragen. Na haar overlijden meldt haar dochter (het zwarte schaap) zich bij haar broer en eist haar wettelijk erfdeel op. Er was nog wat vermogen over, maar dat was natuurlijk veel hoger geweest als moeder haar zoon niet zoveel giften en schenkingen had gedaan. Hoe moet de dochter nu haar wettelijk erfdeel bepalen?

Wettelijk erfdeel

De dochter heeft recht op 50% van haar erfdeel dat zij zou hebben gekregen, als er geen testament was geweest. Nu er twee kinderen zijn en geen langstlevende echtgenoot, komt dat neer op een aandeel van 25% (de helft van 50%). Daarbij geldt dat de nalatenschap fictief wordt verhoogd met de volgende giften en schenkingen:
• alle giften (waaronder ook schenkingen) van moeder aan haar zoon, die moeder korter dan vijf jaar voor haar overlijden heeft gedaan;
• alle andere eerder door moeder gedane giften als deze kennelijk zijn gedaan en aanvaard met het ‘vooruitzicht dat daardoor legitimarissen (erfgenamen die een recht op een wettelijk erfdeel hebben) zijn benadeeld’;
• alle herroepbare giften en schuldigerkenningen;
• alle giften die zijn gedaan aan andere kinderen en kleinkinderen die zelf ook een wettelijk erfdeel kunnen opeisen. Ongeacht hoe lang geleden deze giften zijn gedaan.

In dit voorbeeld moeten dus álle giften van moeder aan haar zoon – wanneer ook gedaan, en hoe groot of hoe gering ook – worden bijgeteld. Uiteraard moet de dochter kunnen bewijzen dat (en tot welke omvang) deze giften zich hebben voorgedaan. Dat zal in de praktijk niet altijd makkelijk zijn. Het onterfde kind heeft het recht om de administratie van de erflater in te zien, om te beoordelen of zulke giften zijn gedaan.